zondag 11 maart 2018

Witte Lotusdag 2018





----------------------------------------------------------------------
Inhoudsopgave


Witte Lotusdag – ter opfrissing van het geheugen (door John Algeo)           
             
Vitakkasanthana Sutta   (verhalen uit het leven van de Boeddha)                       

Het Beeld van de Bergtop (Omraam M.A.)                                                            

Een onuitgegeven toespraak van Boeddha   (uit de GL III)                                  
De grootste scheppingskracht ...(Agni Yoga)                                                

Iedere dag het contact met de goddelijke Bron herstellen (Omraam M.A.) 

Stem van de Stilte (HPB)                                                                                                            
Boeddha zoekt zijn vrouw op (OSHO~ Uit: 1001 verhalen.)                                                                     
 Goddelijke Poorten (Omraam Mikhaël Aïvanhov)                                           

Met mevrouw Blavatsky in de kunstenaarswijk van Rome-deel 4     




 ---------------------------------------------------------------

WITTE LOTUSDAG-ter opfrissing van het geheugen
Witte Lotusdag is een datum op de kalender,

maar het is ook een heilig tijdstip.

een gedenkdag

De verjaardag van de dood van HPB werd benoemd, door haar theosofische tweeling, Henry S. Olcott. De kolonel vermeldt de oorsprong van de herdenking in Oude Dagboekbladen (IV. 26, pp 452-4):
‘Daar wij de verjaardag van de dood van HPB nu al acht jaar gedenken, en daar de ceremonie ongetwijfeld zal worden voortgezet, is het misschien wel zo goed om de inhoud vast te leggen van de Executive Notice van 17 april 1892, die leidde tot het herdenken van de gebeurtenis. Deze bevatte de volgende tekst: “In haar laatste wil gaf H. P. Blavatsky haar wens te kennen dat jaarlijks, bij de verjaardag van haar dood, een aantal vrienden ‘bijeen zou komen in het hoofdkwartier van de Theosophical Society en ene hoofdstuk zou (voor)lezen uit Het Licht van Azië en (uittreksels uit) de Bhagavad Gita’; en daar het passend is dat overlevende collegae de herinnering fris zouden houden aan haar dienstbetoon jegens de mensheid en haar toegewijde liefde voor onze Society, suggereert ondergetekende dat de verjaardag bekendheid geniet als Witte Lotusdag, en geeft hij de volgende officiële order en aanbeveling: 


‘1. Om 12 uur op 8 mei 1892 en op dezelfde dag van ieder volgend jaar zal er een herdenkingsbijeenkomst gehouden worden in het hoofdkwartier, waarbij uittreksels uit bovenvermelde werken (voor)gelezen worden en korte voordrachten gehouden worden door de voorzitter van de bijeenkomst en anderen die dat graag zouden willen.

2. Uitdeling van voedsel zal uit haar naam plaatsvinden aan de arme vissers van Adyar en hun gezinnen.

3. De vlag zal halfstok hangen van zonsopgang tot zonsondergang en de Convention Hall zal versierd worden met witte lotusbloemen.

4. Leden die buiten Madras wonen kunnen afspraken over hun eten maken door zich tenminste één week tevoren aan te melden bij de Recording Secretary.

5. Ondergetekende doet de aanbeveling aan alles secties en afdelingen wereldwijd om jaarlijks op de verjaardag bijeen te komen, en op een eenvoudige,
onsektarische en toch waardige wijze, waarbij alle slaafse verering en loze complimentjes vermeden worden, het algemene gevoel van liefdevolle eerbied tot uitdrukking te brengen voor haar die ons het charter bracht van ‘het steile pad dat leidt tot de toppen van kennis’. Kopieën hiervan werden terstond gestuurd naar de hoofdkwartieren in Londen en New York, vandaar verspreid over de afdelingen en nu neem ik aan dat ieder van ons honderden afdelingen wereldwijd jaarlijks de herinneringen aan het karakter en het dienstbetoon van HPB ophaalt.’ 

Dat is de betekenis van die datum op de kalender. Het is een tijd van herdenken, wanneer theosofen wereldwijd de prestaties, het karakter en het dienstbetoon van H.P. Blavatsky gedenken.

(uit de "Theosofia"-nr 2- april 2009- door John Algeo)

------------------------------------------------------------------------------------------------------

Vitakkasanthana Sutta


1) Aldus heb ik gehoord: Eens verbleef de Gezegende in Savatthi, bij Jetta’s bos, Anathapindika’s Park genaamd. Daar sprak hij de Bhikkhu’s als volgt aan:
‘Bhikkhu’s.’

‘Eerwaarde Heer,’antwoordden zij.

Toen zei de Gezegende het volgende:
2) ’Bhikkhu’s, als een bhikkhu de Hogere Geest nastreeft, dan kunnen vijf tekens (nimitta) hem hierbij, van tijd tot tijd, behulpzaam zijn, wat zijn die vijf nimitta’s ? ‘

3) (i) Als, door welke reden ook, hij zijn aandacht schenkt aan negatieve gedachten, onwenselijke gedachten die verbonden zijn met begeerte, met haat en met begoocheling, dan moet hij zich dwingen om zijn gedachten te richten op het tegendeel: positieve gedachten, gedachten die verbonden zijn met wat wenselijk is, wandt dan zullen de negatieve invloeden afnemen en hem verlaten. Als deze negatieve gedachten hem hebben verlaten, dan kunnen positieve gedachten in hem postvatten, hem tot rust brengen, hem eenvoudig maken en kan hij zich concentreren. ‘Precies zoals een goede meubelmaker of zijn leerling een ruwe penverbinding vervangt door een verbeterde verbinding, zo zijn ook positieve gedachten veel constructiever dan negatieve.’

4) (ii) Als hij zijn gedachten wijdt aan andere zaken dan hiervoor genoemd, gedachten die verbonden zijn met wat wenselijk is en er komt toch nog iets negatiefs in hem op, onwenselijke gedachten die verbonden zijn met begeerte, met haat en met begoocheling, dan moeten deze gedachten worden onderzocht op de volgende wijze: ‘Deze gedachten zijn niet wenselijk, ze zijn laakbaar en ze veroorzaken lijden.’ Als het onderzoek dit gevaar naar boven brengt, dan zullen deze gedachten afnemen en hem verlaten. Met het verdwijnen hiervan kunnen zich goede gedachten in hem postvatten, hem tot rust brengen, hem tot eenvoud aanzetten en hem in staat stellen tot concentratie. ‘Precies zoals een jonge vrouw, die verzot is op sieraden, met afschuw, vernederd en met walging zou reageren als een hond of een slang of een menselijk skelet bij wijze van sieraad, om haar nek zou worden gehangen, zo zal ook, als de negatieve gedachten zich zouden voordoen, met afschuw, vernederd en met walging hierop worden gereageerd, waardoor er ruimte komt om rustig, eenvoudig en geconcentreerd te zijn.’

5) (iii) Als, nadat hij na onderzoek dit gevaar heeft erkend en er doen zich desondanks nog negatieve gedachten voor, ongewenste gedachten, verbonden met begeerte, met haat en begoocheling, dan moet getracht worden om deze gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te besteden. Als hij probeert om die gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te besteden, zullen al deze gedachten afnemen en hem verlaten. Met het verdwijnen van deze gedachten kunnen goede gedachten in hem postvatten, hem tot rust brengen, hem tot eenvoud aanzetten en hem in staat stellen tot concentratie.  ‘Precies zoals een man met (goede) ogen, die geen vormen wilde zien die binnen het bereik van zijn gezichtsveld kwamen, zijn ogen sloot en zijn blik afwendde.. ‘

6) (iv) Als, terwijl hij probeert om de negatieve gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te besteden, zich toch nog negatieve gedachten voordoen, ongewenste gedachten, verbonden met begeerte, met haat en begoocheling, dan moet er aandacht worden besteed aan het vormen van gedachtenpatronen, met respect voor deze gedachten. Als hij aandacht besteedt aan deze gedachtenpatronen met respect voor die gedachten die onwenselijk zijn, die verbonden zijn met begeerte, met haar en begoocheling, dan zullen die gedachten afnemen en hem verlaten. Met het verdwijnen van deze gedachten wordt er ruimte gemaakt voor rust, eenvoud en concentratie. ‘Precies als een man, die hardloopt en zich afvraagt : ‘Waarom loop ik hard? Wat zou er gebeuren als ik langzaam loop”’ en als hij dan langzaam loopt:  ‘Waarom loop ik langzaam? Wat zou er gebeuren als ik stil bleef staan?’ en als hij stilstaat: ‘Waarom sta ik stil? Wat zou er gebeuren als ik ging zitten? ‘en dan als hij zit: ‘Waarom zit ik? Wat zou er gebeuren als ik ging liggen? ‘en dan als hij ligt heeft alle grovere gedachtenvormen vervangen door subtielere vorm; zo zal ook als hij tracht negatieve gedachten te vergeten stapsgewijs een subtielere schrede zich aan hem voordoen.

7) (v) Als, terwijl hij aandacht besteedt aan de gedachtenpatronen met respect voor deze gedachten, en er doen zich toch nog negatieve gedachten voor, gedachten die ongewenst zij, verbonden aan begeerte, met haar en begoocheling, dan moet hij op zijn tanden bijten, zijn tong tegen zijn gehemelte drukken, zijn gedachten neerslaan, bedwingen en vernietigen met gedachten. Deze negatieve gedachten zullen dan afnemen en verdwijnen, waardoor er ruimte komt voor rust, eenvoud en concentratie. ‘Precies als een sterke man een zwakkere man zal overtreffen, hem neerslaan en bedwingen.’

8) (geeft eerst een recapitulatie van de vijf nimitta’s waarna:) Als hij deze nimitta’s beheerst dan kan die bhikkhu een meester worden genoemd van zijn gedachtenprocessen, hij zal die gedachten kunnen denken die hij zelf wenst en hij zal geen gedachten denken die hij onwenselijk acht. Hij heeft hunkering overwonnen, heeft zijn boeien weggegooid en maakte op de juiste wijze een einde aan het lijden, doordat hij zijn eigendunk heeft doorzien.

Dat is wat de Gezegende heeft gezegd. De Bhikkhu’s waren tevreden en verheugden zich in de woorden van de Gezegende.

Uit: A treasury of the Buddha’s Words. Translated by Nyanamoli Thera; Mahamakut Rajavidyaka Press, Bangkok 2. (1977). Ned. Vertaling: Upasaka Paññdipa

***



----------------------------------------------------------------------------
Het Beeld van de Bergtop


~ Omraam Mikhaël Aïvanhov ~


Het beeld van de bergtop is een van de meest betekenisvolle voorstellingen van onze spirituele voortgang: de top is het te bereiken doel, het hoogste punt waarnaar we onze blik moeten richten om er al onze energieën samen te laten vloeien.


Daarom is het belangrijk dat we aandacht hebben voor alles wat ons aan het hoogste kan herinneren, en in het bijzonder de bergen.
De bergen kunnen ook iets anders betekenen dan alleen maar een plek waar je zuivere lucht gaat inademen, gaat rusten of sportief bezig zijn, ze hebben ook hun plaats in de spirituele oefeningen.
Probeer om, telkens als je de gelegenheid hebt, in contact te treden met de bergtoppen.
Steek je hand naar hen uit, ook al ben je op een grote afstand, groet de entiteiten die er wonen, vraag dat ze je in hun zuiverheid en licht laten binnentreden.
Zo zal je leren om banden te smeden met de toppen van de hoogste bergen op aarde, en zal je van hen het beste voedsel voor je ziel en je geest ontvangen.

~ ☼ ~

Een onuitgegeven toespraak van Boeddha
– GL III 436/437

(Deze staat in het tweede Boek der Toelichtingen en is tot de Arhats gericht.)


 De Albarmhartige zei: Gezegend zijt gij, o Bhikshoes, gelukkig zijt gij die de geheimenis begrepen heeft van het zijn en het niet-zijn, verklaard in de bas-pa (dharma, leer), en aan dit laatste de voorkeur heeft gegeven, want gij zijt in waarheid mijn Arhats…..

De olifant, die zijn gestalte in het meer weerspiegeld ziet, er naar kijkt en heengaat terwijl hij deze voor het lichaam van een andere olifant houdt, is wijzer dan de mens die zijn gelaat in de stroom ziet, er naar kijkt en zegt: “Hier ben ik . . . . ik ben ik”, want het ‘ik’, zijn Zelf, is niet in de wereld van de twaalf nidana’s en veranderlijkheid, maar in die van het niet-zijn, de enige wereld boven de valstrikken van maya verheven . . . . Alleen datgene wat noch oorzaak noch maker heeft, wat zelfbestaand, eeuwig, ver boven het bereik der veranderlijkheid staat, is het ware ‘ik’ (Ego), het Zelf van het heelal. Het heelal van Nam-Kha zegt: “Ik ben de wereld van sien-chan”1), de vier begoochelingen lachen en zeggen: ‘Voorwaar’. Doch de waarlijk wijze mens weet dat de mens, en ook het heelal, waar hij als een vliedende schaduw doorheen gaat, evenmin een werkelijk heelal is als de dauwdrup, die een vonk van de morgenzon weerkaatst, die zon is . . . .

Er zijn drie dingen, Bhikshoes, die eeuwigdurend dezelfde zijn, waarop geen wisseling, geen wijziging ooit kan inwerken: het zijn wet, Nirwana en ruimte 2), deze drie zijn één, daar de eerste twee in het laatste zijn en dat laatste een maya is zolang de mens in de draaikolk van zinnelijk bestaan blijft.

Men behoeft zijn sterfelijk lichaam niet te laten afsterven om aan de greep van begeerte en andere hartstochten te ontkomen. De Arhat, die de zeven verborgen voorschriften van bas-pa opvolgt, kan Dang-ma en Lha worden 3). Hij kan de ‘heilige stem’ van . . . . (Kwan-Yin) 4) horen en zich binnen de stille omgeving van zijn sangharama 5) overgebracht vinden in Amitabha Boeddha 6).

Eén wordend met Anoettara Samyak Sambodhi 7) kan hij door alle zes werelden van het zijn (Rupa Loka) gaan en in de eerste drie werelden van arupa 8) binnentreden . . . . Wie naar mijn geheime wet luistert, gepredikt tot mijn uitverkoren Arhats, zal met haar hulp tot de kennis van het Zelf en daardoor tot volmaking komen.


Aan volkomen verkeerde meningen over het oosterse denken en aan onbekendheid met het bestaan van een esoterische sleutel tot de uiterlijke Boeddhistische bewoordingen is het toe te schrijven dat Burnouf en andere grote geleerden uit stellingen zoals “mijn lichaam is geen lichaam” en “ik zelf ben niet mijn zelf” – waarmee de Wedantijnen het eens zijn – hebben opgemaakt dat de oosterse psychologie geheel en al op niet-blijvendheid berustte. Cousin bijvoorbeeld haalt in een lezing over dat onderwerp de beide volgende stellingen aan om op gezag van Burnouf te bewijzen dat het Boeddhisme het voortbestaan van het denkende beginsel verwerpt, hetgeen het Brahmanisme niet doet.
Deze stellingen zijn:
1. Gedachte of geest 9) – want het vermogen is niet onderscheiden van het subject – verschijnt alleen bij gewaarwording en overleeft haar niet.

2. De geest heeft geen vat op zichzelf, en wanneer hij de aandacht op zich vestigt put hij daaruit slechts de overtuiging van zijn onmacht om zichzelf anders dan opeenvolgend en voorbijgaand te zien.

Dit alles slaat op belichaamde geest en niet op het bevrijde geestelijke Zelf, waarop maya geen vat meer heeft. Geest is geen lichaam, daarom hebben de oriëntalisten er ‘niemand’ en ‘niets’ van gemaakt. 10)

Daarom maken zij van de Boeddhisten nihilisten en van de Wedantijnen aanhangers van een geloof waarin de ‘onpersoonlijke (God) bij onderzoek een mythe blijkt’, hun einddoel wordt als het volgende omschreven:
Het volkomen uitdoven van alle geestelijke, verstandelijke en lichamelijke vermogens door op te gaan in het Onpersoonlijke 11).

Noten:
1.Het heelal van Brahma (Sien-Chan, Nam-Kha) is algemene begoocheling of onze wereld van verschijnselen.

2) Akasha. Het is zo goed als onmogelijk het mystieke woord Tho-og door een ander woord dan ruimte te vertalen, en toch kan geen andere benaming, tenzij men een nieuwe smede, het voor de occultist beter weergeven. Het woord aditi wordt ook met ruimte vertaald, en daarin ligt een wereld van betekenis besloten.

3) Dang-ma, een gelouterde ziel, en Lha, een bevrijde geest in een levend lichaam; een Adept of Arhat. Volgens de volksmening van Tibet is een Lha een ontlichaamde geest, iets als de Birmaanse nat – maar hoger.

4) Kwan-Yin is een synoniem, want in het oorspronkelijke is een ander woord gebruikt, doch de betekenis is dezelfde. Het is de goddelijke stem van het Zelf of de ‘geest-stem’ in de mens en hetzelfde als Wachishwara (de ‘stem-godheid’) der Brahmanen. In China hebben de Boeddhistische ritualisten de mening ervan verlaagd door het te vermenselijken tot een Godin van die naam met duizend handen en ogen, en zij noemen haar Kwan-shai-yin-Bodhisat. Het is de Boeddhistische ‘daimon’-stem van Socrates.

5) Sangharama is het heilige der heiligen van een asceet, een grot of andere plaats, welke hij voor zijn overpeinzingen uitkiest.

6) Amitabha Boeddha is in dit verband het ‘grenzeloze licht’, waardoor men dingen van de subjectieve wereld waarneemt.

7) Esoterisch ‘het onovertrefbaar meedogende en verlichte hart’, hetgeen van de gezamenlijke ‘Volmaakten’, de Jiwan-moekta’s, gezegd wordt.
8) Deze zes werelden – voor ons zeven – zijn voor de Birmaanse Boeddhisten de werelden der nats of geesten, en voor de Wedantijnen de zeven hogere werelden.

9) Twee geheel van elkander onderscheiden dingen. Het ‘vermogen is niet onderscheiden van het subjectieve’ geldt alleen voor dit stoffelijk gebied, terwijl een door ons stoffelijk brein voortgebrachte gedachte, die zich nimmer tegelijkertijd op de geestelijke tegenhanger heeft afgedrukt, hetzij door atrophie van dit laatste of door de innerlijke zwakheid van die gedachte, nimmer ons lichaam kan overleven; zoveel is zeker.

10) Vedanta Sara, vertaald door Majoor Jacob, blz. 123.

11) Deze zin bevat een woordspeling op ‘no body’ en ‘nobody’. De tekst luidt: Spirit is no body, therefore the Orientalists made of it ‘nobody’… vert..

__________

De grootste scheppingskracht kan tot openbaring worden gebracht als klank kan uitstralen en kleur kan weerklinken
Agni Yoga: Oneindigheid I – 83

Door affiniteit trekt de geest alle vreugde tot zich en weerspiegelt hij een gehele regenboog.

Kosmische affiniteit bestemt ieder atoom voor tot samensmelting.


Maar de hogere wet, de heilige wet, geldt niet voor velen.
Op de verre werelden wordt in het hogere functioneren van verfijnde organismen dit Sacrament door de wet van de Kosmos bevestigd.

De trilling van het zaad van de geest geeft richting aan die bevestiging — en voeg Ik er aan toe, zonder afwijking.

De schoonheid van vereniging verschaft de weg voor het denken.
In het zaad van de geest leeft de realisatie van schoonheid en kennis.

De aard van de hogere vereniging waarborgt betere werelden.

De allerbeste voorstelling van aardse voorspoed is slechts een bleke schim in vergelijking met de vreugde van kosmische vereniging.

De grootste scheppingskracht kan tot openbaring worden gebracht als klank kan uitstralen en kleur kan weerklinken.

Dan kunnen de sferen in een hogere harmonie weerklinken.

Dit Sacrament zal het hoogste beginsel aantonen.
Maar de geest verheft zich en het beginsel zal slechts een hogere bewustwording zijn.

~ * ~



-------------------------------------------------------------------------------
Iedere dag het contact met de Goddelijke Bron herstellen

Omraam Mikhael Aivanhov

Probeer iedere dag het contact met de goddelijke Bron te herstellen, om zo uw eigen bron, de bron die in u stroomt, te voeden.
Laat eerst het hemels water neerdalen in uw hart, door de liefde, want door de liefde wordt het hart gezuiverd.
Laat het water vervolgens als licht neerdalen in uw verstand.
Dankzij dit licht zult u valkuilen en hindernissen vermijden en de weg zien die u moet volgen en die u zult bewandelen.


Wanneer het hemelse water in uw ziel binnendringt, zal het haar tot in de uithoeken van het universum doen uitdijen: u zult alle schepselen in u dragen en u zult oplossen in de oneindigheid.

En wanneer u er tenslotte in geslaagd bent dit water in uw hart, in uw verstand en in uw ziel te laten stromen, zal het zich voegen bij de Oerbron die uw geest is.
Zo zult u waarlijk het goddelijke leven beleven, het goddelijke leven dat almachtig is.

~ * ~

Stem van de Stilte
(HPB)

nr. 138
Volhard als iemand die eeuwig zal blijven bestaan. Uw schaduwen leven en verdwijnen*; wat in u eeuwig zal leven, wat in u weet omdat het kennis zelf is behoort niet tot het voorbijgaande leven: het is de mens die was, die is en zijn zal, voor wie het uur nooit zal slaan.
*Persoonlijkheden’ of stoffelijke lichamen worden ‘schaduwen’ genoemd, omdat zij voorbijgaand zijn.

Nr. 139
Als u zoete vrede en rust zou willen oogsten, leerling, bezaai dan met de zaden van verdienste de velden van latere oogsten. Aanvaard de smarten van geboorte.

Nr. 144
Leven voor het welzijn van de mensheid is de eerste stap. De zes verheven deugden** beoefenen is de tweede.
** De ‘praktijk van het Paramita Pad’ betekend: een yogi te worden met het doel een asceet te worden.(H.P.B. verstaat onder ‘asceet’ iemand die bewust op weg wil gaan naar eenheid in het AL. (Zie o.a. GL II, blz 78, voetnoot)

Om Tat Sat  : ‘om’! Dat ( is het)  Werkelijke
-----------------------------------------------------------------------------


 Boeddha zoekt zijn vrouw op
OSHO ~

Het is er overal!

Het eerste wat Gautam Boeddha zei toen hij verlicht werd was: ‘Ik zou graag Yashodhara gaan opzoeken om met haar te praten.’ Zijn vrouw...
Ananda vond het maar niets. Hij zei: ‘Wat heeft het voor zin om terug naar het paleis te gaan om met je vrouw te praten? Je hebt haar verlaten. Twaalf jaren zijn er verstreken.’

Maar het zat Ananda ook een beetje dwars, want hoe kan een boeddha nou met zijn vrouw bezig zijn? Boeddha’s horen niet aan zoiets te denken.
Toen de anderen weg waren zei Ananda tegen Boeddha: ‘Dit is niet goed. Wat zullen de mensen wel denken?’

Boeddha zei: ‘Wat de mensen wel zullen denken? Ik moet haar mijn dankbaarheid betuigen en ik moet haar bedanken voor alle hulp die ze mij gegeven heeft. Ik moet haar ook iets geven van wat er met mij is gebeurd – zoveel ben ik haar wel verschuldigd. Ik moet gewoon gaan.’

Hij ging terug. Hij ging naar het paleis. Hij zocht zijn vrouw op.
Yashodhara was wel degelijk boos! Die man was er op een nacht gewoon vandoor gegaan zonder ook maar iets tegen haar te zeggen. Ze zei tegen Boeddha: ‘Had je mij niet in vertrouwen kunnen nemen? Je had me kunnen vertellen dat je weg wilde gaan en ik zou de laatste vrouw ter wereld geweest zijn om jou dat te verhinderen. Had je me dat beetje vertrouwen niet kunnen geven?’ En ze stond te huilen. Twaalf jaar boosheid! En deze man was er als een dief midden in de nacht vandoor gegaan – plotseling, zonder ook maar de minste aanwijzing naar haar.

Boeddha verontschuldigde zich en zei: ‘Dat kwam voort uit onbegrip. Ik was onwetend, ik was niet bewust. Maar nu ben ik bewust en nu weet ik wel – daarom ben ik teruggekomen. Jij hebt me geweldig geholpen. Vergeet die oude dingen maar, het heeft geen zin om met gedane zaken bezig te blijven. Kijk me aan! Er is iets geweldigs gebeurd. Ik ben thuisgekomen. En ik voelde dat ik jou als eerste iets verplicht was: je op te zoeken om het over te brengen, om mijn ervaring met jou te delen.’

Nu de kwaadheid was verdwenen, de razernij was gaan liggen, keek Yashodhara door haar tranen heen. ‘Ja, deze man is geweldig veranderd.’ Dit was niet dezelfde man die ze had gekend. Dit was dezelfde man niet, helemaal niet. Dit leek wel iets groots en lichtgevends... ze kon bijna de aura zien, een licht om hem heen. En hij was zo vredig en zo stil, hij was bijna verdwenen. Zijn tegenwoordigheid was bijna afwezigheid. En toen vergat ze, in weerwil van zichzelf, waar ze mee bezig was – ze viel aan zijn voeten neer en vroeg of hij haar wilde inwijden...

Rabindranath Tagore heeft een gedicht geschreven over dit incident toen Boeddha terugkeerde. Yashodhara vroeg hem maar één ding. ‘Ik wil maar één ding weten,’ zei ze. ‘Wat je ook bereikt hebt... ik kan zien dat je iets bereikt hebt, wat het ook is. Ik weet niet wat het is – maar vertel me gewoon één ding: was het niet mogelijk om dat ook hier in dit huis te bereiken?’

En Boeddha kon geen nee zeggen. Het was wel mogelijk om het hier in dit huis te bereiken. Nu wist hij het. Want het had niets te maken met bos of stad, met gezin of ashram – het had niets te maken met een of andere plaats, het had iets te maken met je binnenste kern.
Het is er overal.

Osho: The Tantra Vision - Speaking on the Royal Song of Saraha, Volume 2, pp. 13-15. Uit: 1001 verhalen.




~ * ~

Goddelijke Poorten

Omraam Mikhaël Aïvanhov

Als er op de aarde plaatsen zijn, gebieden waar je slechts op vertoon van een pas, een paspoort of een visum kunt binnenkomen, dan geldt dat des te meer voor de goddelijke wereld.
Het volstaat niet je voor de poorten van de Hemel aan te bieden opdat ze voor je zouden opengaan.
Er zullen entiteiten zijn die tegen je zeggen: ‘Wacht, we moeten eerst zien wie je bent en of we je kunnen binnenlaten.’
En wie beslissen daar dan over?
De deugden.

Ja, telkens als je overeenkomstig de goddelijke deugden gehandeld hebt, zullen ze hun stempel op je drukken, laat elk van hen een spoor, een afdruk op je achter en dat is jouw paspoort.
Voorzien van dit paspoort kun je aan de grenzen van de goddelijke wereld verschijnen; daar treedt een soort mechanisme in werking en je komt binnen.
Je zult misschien nog niet worden toegelaten in het Heilige der Heiligen, maar je komt binnen.
~ ☼ ~


Met mevrouw Blavatsky in de kunstenaarswijk van Rome


Een geromantiseerde historische reconstructie

Deel 4 - Een angstig avontuur
J. de Kler
Rome blijft een stad, waar een wat antiek aandoende vorm van Katholicisme bestaat naast een nog veel oudere heidense cultuur. Dit koppige mengsel voert als vanzelf tot de ‘dolce vita’ beleving die lijkt te verklaren waarom ieder er vrede mee schijnt te hebben, als deze stad op deze wijze eeuwig zou blijven bestaan.
Voor velen is dit mengsel onweerstaanbaar. Het leven van de uitgaande wereld speelt zich voor een belangrijk deel af rond het Corso en drie erop uitkomende winkelstraten: de Via Condotti, (waar men t hans dan ook minstens 40 winkels van allure aantreft, van Gucci, Runci en Ferrara aan het ene einde, tot Battistoni en Fragiacomo aan het andere einde), de Via Borgognona, en: de Via Frattina, in welke laatste straat mevrouw Blavatsky haar hotel had uitgekozen.
In deze buurt flaneerden al heel wat ons bekende figuren, waaronder de Graaf van St. Germain en Monseigneur Leadbeater. Ook Helena kon er maar met moeite afscheid van nemen. Máár… er zijn spannende veranderingen op til! De hierbij gaande aflevering is een eerste aanloop om u hierop een béétje voor te bereiden.
Mary Flynn staarde met opengesperde angstogen naar het afschuwelijke gelaat met de satanische grijns. Uit de hypnotische ogen van de man, die strak op haar gevestigd waren, scheen een dwingende invloed te stromen, waaraan geen ontkomen mogelijk was. Dit was nu precies wat zij gelezen had in de boeken over fakirs, die je helemaal in hun macht kregen, zodat je willoos aan hen was overgeleverd. De sadistische dubbele plooi rond de mondhoeken! En die laag op het voorhoofd geplaatste, aan de uiteinden in tegengestelde richting omgebogen rimpels. Die intens valse gluur!
 Dan zag ze tot haar ontzetting hoe zijn rechterhand naar het gevest van een dolk kroop, die hij dan langzaam uit de schede begon te trekken… Mary verstijfde over het gehele lichaam, terwijl haar adem steeds sneller ging. Op dat moment keek mevrouw Blavatsky, een paar kraampjes verder op de Spaanse Trappen, toevallig op van het antieke boek dat ze had ontdekt.

 “Oh, niet opnieuw!” steunde ze. Zij herkende alle symptomen van een op handen zijnde neurotische aanval. Zo snel ze kon, baande zij zich een weg door de winkelende menigte naar Mary en posteerde zich breeduit voor het meisje, zodat ze haar blikrichting onderbrak. Ze wuifde een hand een paar maal voor de ogen van Mary en zei gebiedend: “Kijk naar mij! Kijk naar mij Mary!” Het lukte! Ze was nog maar net op tijd. Helena hield de blik van haar reisgenote gevangen en ging over op haar gebruikelijke manier om haar tot kalmte te brengen.

“Hij wil me vermoorden!” stootte Mary uit.  “Hij heeft een dolk!” Haar mond vertrok zich in een angstgrimas.  “Wel nee, liefje”, suste Helena.  “Die man is dóódonschuldig, heus. Heb je dat bordje achter hem niet gezien? Hij verhuurt zich gewoon als schildersmodel. We zijn hier in de kunstenaarswijk! Net als zoveel anderen, wil hij gewoon een extra’tje verdienen. Dikwijls zijn het werkeloze acteurs, die weten hoe ze zich moeten grimeren, om er zo echt mogelijk uit te zien. Die man waar je zo bang voor was, heeft zich verkleed als bandiet. Dergelijke types vind je altijd op de Spaanse Trappen. Het is eigenlijk officieel verboden, omdat vrouwelijke modellen het wel eens al te bont maakten. Maar tegenwoordig laat men het weer oogluikend toe.”

Al pratende troonde zij Mary mee, naar het bijna bovenste bordes van de trap, waar een zitje was op een klein terras. Even pauzeren onder het genot van een thé-complet was nu aangewezen. Babaji zag zij nergens, maar die zou zo direct wel weer opduiken. Allereerst moest ze hem dat antieke boek uit zestienhonderd zoveel, in de Franse taal, met Luigi laten afrekenen. Dat zeldzame werk over een Meester uit die periode zou ze zich niet laten ontgaan. Omdat het in vrij slechte staat was, zou het stellig niet al te veel kosten. De man die van al die beroering de oorzaak was geweest, wierp zij onderwijl een vernietigende blik toe, met al de inzet van haar aristocratische waardigheid.


Hij lachte een beetje schaapachtig,  totaal niet beseffende hoe gelukkig hij was, dat hij niet behoorde tot de onderdanen van Vadertje Tsaar, want anders…! Terug bij Mary, die er al wat normaler begon uit te zien, ontdekte ze, dat Babji inmiddels ook weer was verschenen. Hij bleek een gidsje voor Rome te hebben gekocht. Wel een beetje laat, vond Helena, die hem daarover dan ook onmiddellijk begon uit te foeteren. Mary, die dol was op koekjes, genoot al van haar thé-complet, vooral toen ze ook nog een tiramisú mocht eten. Ondertussen ging Helena door, met haar zoveel mogelijk af te leiden door haar te vertellen over de omgeving vlak bij.

Vrijmetselarij

Zo was daar, iets verder terug, schuin aan de overkant, het gebouw waar Cagliostro’s Loge bijeenkwam, om met behulp van de nieuwe Egyptische ritus een capucijner monnik uit Parijs, als vrijmetselaar in te wijden. Cagliostro was naïef genoeg om te menen dat de Paus hiermee accoord zou gaan. Hij dacht werkelijk, dat de R.K. Kerk nu eindelijk in zou stemmen met de beginselen van de vrijmetselarij. Helena vertelde maar niet, hoe deze vergissing van Cagliostro afliep.


Hoe men eerst de echtgenote van Cagliostro, Serafina, tijdens de biecht tot een ‘bekentenis’ dwong, na haar onder druk gezet te hebben, om daarna deze ‘bekentenis’ als reden te gebruiken voor de erop volgende arrestatie van Cagliostro zelf. Dan was er, iets terug en om de hoek, het huis waar de Shelley’s hadden gewoond, het bekende dichterspaar.

Ook hierbij liet Helena iets weg. Zeker nu, was het niet het juiste ogenblik om Mary te gaan herinneren aan het Monster van Frankenstein, de kunstmatige mens, die door een enigszins ontspoorde professor tot leven was gewekt. Dit onsterfelijke verhaal, bedacht door Mary Shelley, zou het werk van haar man steeds meer gaan overschaduwen.

Mevrouw Blavatsky bedacht ondertussen, dat één of andere verwijzing naar dit gegeven in haar nog te schrijven Geheime Leer, zeker niet mocht ontbreken, al was het alleen maar om duidelijk te maken, welke zielebestanddelen door de professor vergeten waren. Ze herinnerde zich trouwens duidelijk, dat Meester Koot Humi hierover geschreven had in een brief aan Sinnett. Was het niet 1882?  Of was het al 1883? Wel, dat deed er eigenlijk niet toe. Wat ze nog wel wist, was, dat Koot Humi toen had verzekerd, dat inderdaad een kunstmatige mens leven zou kunnen worden ‘ingeblazen’. Dat zou dan gaan met een soort inenting. Zo zou men dan zelfs doden weer tot leven kunnen wekken. Tegelijk dacht ze aan de uitspraak van Percy Shelley, die vertelde dat hij graag heel laat erop uit ging om te genieten van het purperen en gouden licht van een Italiaanse avond, vooral wanneer een dergelijke hemel zich welfde over de majestueuze eenzaamheid van een ruïne uit de oudheid. Zulke poëtische wandelingen duurden dikwijls tot het ochtendgloren, wanneer het ontwaken van de stad de geheimzinnige geesten van het verleden weer verdreven.


Mevrouw Blavatsky had reeds lang die raad van Percy ter harte genomen. Ook vanavond zou ze weer eens zo’n wandeling kunnen ondernemen, al zou ze het echt niet laten duren tot het ochtendgloren. Het enige was dat ze altijd moest wachten tot Mary sliep. Daarna kon zij zelf er volkomen veilig op uitgaan, omdat Babaji (kozenaampje voor Babula) een gespierde knaap uit Goedzjerat, dan altijd – uiteraard gewapend – een paar passen achter haar liep.

De geheimzinnige verschijnselen bij Mary Flynn
Zo te zien zullen de beide dames en Babaji nog wel even bezig zijn met te pauzeren, om Mary te laten bijkomen van de schrik. Ondertussen hebben wij even de gelegenheid om ons te verdiepen in een paar vragen. Ten eerste dan: wat was er nu eigenlijk aan de hand met Mary Flynn. En dan: Was mevrouw Blavatsky nu antireligieus of niet? Maar eerst: Mary, hoe zat dat met dat kind? Mary was nu zo ongeveer van dezelfde leeftijd als Helena, toen die ontsnapte aan het huis van haar grootouders, om te beginnen met haar wereldreizen, n.l. ca 18 jaar. Als een opmerkzaam toeschouwer heeft u natuurlijk allang begrepen, dat er met haar iets loos is. En dat is ook zo! Dat is eigenlijk een lang verhaal. Het meisje toonde in India al tekenen van, wat we zouden kunnen omschrijven als ‘extatische overspanning’. Medici zouden het misschien plompverloren aanduiden als ‘neurotisch’. Nu is dat laatste helemaal geen schande en zelfs niet erg. Sterker nog: een neurotische aanleg kan soms de stimulans zijn tot het zich ontwikkelen van een verborgen talent. Zoals een oester, die last heeft van een in de schelp binnengedrongen zandkorrel er dan als verweer een stof omheen afscheidt, die tenslotte een parel blijkt te zijn geworden. Helaas was in die tijd, ruim honderd jaar geleden, de westerse psychologie nog niet tot dat inzicht gekomen, zodat de ouders van het meisje niet goed wisten wat ze met haar aanmoesten.

Toen mevrouw Blavatsky dan ook besloot naar Europa af te reizen, begin 1885, zagen zij daarin een unieke gelegenheid om het meisje op een veilige manier mee te laten reizen naar familie in Engeland die dan ervoor zou zorgen dat ze op een ‘finishing school’ zou kunnen worden geplaatst. Niet alleen dat Dr. Franz Hartmann die reis zou meemaken, althans een belangrijk deel ervan, was gunstig, maar ook dat Mary al sinds vorig jaar een dweperige gehechtheid voor Helena aan den dag gelegd had. Bovendien had ze grote belangstelling voor boeddhisme en theosofie. Ook leek het wel, dat bepaalde paranormale vermogens zich bij haar begonnen te ontwikkelen. Al meermalen bleek zij verschijningen in de buurt van mevrouw Blavatsky te zien, die zij omschreef als ‘Meesters’.
Haar geaardheid maakte ondertussen wel, dat ze voor Helena een bron van zorgen was, omdat ze voortdurend in het oog gehouden moest worden en men haar eigenaardigheden moest ontzien.

Was mevrouw Blavatsky tegen het Katholieke geloof?
Helemaal niet! Laten wij b.v. eens lezen wat zij in haar brief van toen zeven jaar geleden schreef aan haar tante, Madame Fadayev:
‘Het is de 8e juli vandaag, een dag die alle tekenen van het noodlot draagt, maar God alleen weet, of de wending van het ‘lot’ goed of slecht zal zijn. Vandaag is het precies vijf jaar en één dag geleden, dat ik naar Amerika kwam en op dit ogenblik ben ik net terug van het ‘Supreme Court’, waar ik een eed van trouw aflegde aan de Amerikaanse Republiek en de Constitutie.

Voor een heel uur ben ik nu al een burger met gelijke rechten als die voor de President zelf. Tot zover is het in orde: de uitwerking van mijn oorspronkelijk lot heeft mij tot deze naturalisatie gedwongen. Tot mijn uiterste verbazing en afkeer echter, heeft men mij gedwongen, om in het openbaar als een papegaai de volgende tirade te herhalen, die mij door de rechter werd voorgezegd: dat ik moest afstand doen voor eeuwig en zelfs tot aan mijn dood van elke soort onderwerping en gehoorzaamheid aan de Keizer van Rusland; dat ik afstand zou doen van alle gehoorzaamheid aan de machten die door hem waren gevestigd en aan de regering van Rusland, en dat ik zou aanvaarden als mijn plicht om te verdedigen, lief te hebben en te dienen enkel en alleen de Constitutie van de Verenigde Staten, zo helpe mij God waarin ik geloof! Ik vond het dood-eng toen ik deze verachtelijke herroeping van Rusland en de Keizer uitsprak.

En zo ben ik niet alleen een afvallige van onze geliefde Russische kerk, maar ook een politiek renegaat. Een mooie situatie om in terecht te komen! Maar hoe moet ik het aanleggen om niet meer van Rusland te houden, of de Keizer niet langer te respecteren? Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.’ (tot zover de brief).

Het is duidelijk dat iemand die het heeft over ‘onze geliefde Kerk’ nu niet direct beschouwd kan worden als anti-religieus of anti-katholiek. Waarom zou ze ook?
Ze was volgens alle regels van de Russische Kerk gedoopt, en zo’n doop is niet niks! Ik weet niet of u wel eens een officiële doop van de Kerk van het Oosten, de zogenaamde Orthodoxe Kerk heeft meegemaakt.

Het eerste wat opvalt is de ontzagwekkende grootte en vooral diepte van het doopvont.3. Men gaat namelijk onverbiddelijk totaal kopje onder.
Voor kinderen is dat helemaal een beproeving. Om te beginnen wordt het te dopen kind ontdaan van alle kleding en dan van top tot teen ingesmeerd met – uiteraard gewijde – olie. Onder gezang pakt dan de Pope (Priester) het glibberige kind bij de handjes vast en dompelt het driemaal onder, zodat telkens alleen de polsen van de Pope boven water blijven. Hij heeft de mouwen van zijn brocate gewaad opgestroopt. De drie onderdompelingen gaan zo ongeveer in het tempo van een langzaam geteld ‘een-en-twintig, twee-en-twintig, drie-en-twintig’, het is gewoon angstig om te zien.

In feite is er natuurlijk heel weinig kans dat er water in de longetjes komt. Iets anders is natuurlijk de kans dat het kind uit zijn greep glibbert, met al die olie. Maar zelfs als dat mocht gebeuren, heeft de assisterende klerezij de baby toch vrij gauw in het toch altijd minstens 70 cm diepe doopvont teruggevonden, voordat er ernstiger dingen gebeuren. Misschien begrijpt u nu, waarom Russen vrijwel nooit meer dan twee doopnamen hebben. Die  Russische namen zijn toch al zo lang! Iets korts en simpels, zoals Jan, Piet of Cor is er voor hen gewoon niet bij. Het is bijna altijd zo iets als Vladimirovich of Gustavovich enz.
Een kind te willen noemen naar drie, vier of zelfs meer beschermheiligen is eenvoudig vragen om moeilijkheden. Het moge dan waar zijn, dat al de tijd dat de Pope staat te pompen met dat kind, er inderdaad geen water in de longetjes komt, maar voor zuurstofopname is óók geen tijd. Na één doopnaam alleen al zie je het wicht, als het een fractie van een seconde met het mondje boven water komt, gewoon naar adem snakken. Eén ding is zeker: schreeuwen of huilen doen ze beslist nooit zolang die waterbeproeving doorgaat. Daarna durven ze het meestal ook niet meer. Ik geef u de verzekering dat zo’n doop je bijblijft al ben je nog zo jong. Maar hoe ging het met Helena?

Hoe Helena haar doop overleefde

Helena was, toen ze gedoopt werd, héél erg jong. Dat niet alleen, maar haar hele doop was bijna een drama geworden. Om te beginnen was ze véél te vroeg geboren. In iedere normale gynaecologische moderne inrichting zou ze onmiddellijk van het kraambed naar een couveuze overgezwiept zijn. Niet echter in het Rusland van meer dan anderhalve eeuw geleden. De toekomstige Helena bleek midden in een razendsnel om zich heen grijpende cholera-epidemie terecht te zijn gekomen ook nog. De mensen stierven bij bosjes, het was maar al te duidelijk dat de Engel des Doods van Jekaterinoslav, Waar Helena ter wereld kwam, geheel bezit genomen had. Na één blik op het tere lijfje van de pasgeboren baby, gat niemand het nog een ‘kopeke’ voor haar leven. Om haar niet ongedoopt vor Petrus te laten verschijnen – wat een behoorlijke handicap is – achtte men het absoluut noodzakelijk om onmiddellijk de doop op de geboorte te laten volgen, zo vlug als enkele genodigden uit de directe omgeving ter plaatse zouden kunnen zijn. En zo gebeurde het. Het was een doop in stijl, zoals de voorname familie waarin de boreling terecht gekomen was betaamde. Haar vader ontbrak, want die was, als cavalerie-officier met zijn regiment in Polen, waar natuurlijk weer eens een oorlog woedde. 

Maar verder waren er talloze genodigden, die elkaar verdrongen rondom het doopvont, om de plechtigheid te volgen, die op zijn minst een uur zou gaan duren. Alle omstanders waren uitgerust met de vereiste rituele kaars in de hand, brandende en wel. Dergelijke kaarsen zijn bij de Orthodoxe kerk ongeveer 70 centimeter lang. Onder de genodigden was ook een tante, namelijk Nadja, amper drie jaar oud, die door haar moeder Prinses Helena Dolgurokova was meegebracht. Nadja was een schattig meisje, en heel pienter. Haar moeder, de prinses, had zich voor deze gelegenheid gestoken in een stemmige en toch elegante mousseline japon met pofmouwtjes en een schort van Napolitaanse, geborduurde zijde. Op haar weelderige blonde haardos droeg ze één van haar eenvoudigste diademen. In één woord: ze was een plaatje, vooral omdat het licht van zeker een 40 tal kaarsen in de diamanten van haar diadeem duizendvoudig schenen te weerkaatsen, wat maakte dat ze wel een aureool leek te hebben. Veel van de mannen werden dan ook afgeleid, terwijl de andere dames afgunstig naar haar keken. Dit alles was misschien één van de oorzaken, dat men niet al te goed oplette. Een van de meisjes van de huishouding, die helemaal weg was van Nadja, vond dat ze ook wel een klein kaarsje mocht beethouden. 

Ze gaf haar daarom een halve kaars, toch altijd nog ca 35 cm lang. Ze had beter moeten weten. In het begin hield Nadja braaf de kaars afwisselend in haar rechter en dan weer in haar linker knuistje geklemd. Nadat bijna een uur verstreken was, begon ze toch aardig vermoeid te raken. Ze ging daarom maar op de betegelde vloer zitten. Daarna probeerde ze of ze de kaars vast op de tegels kon zetten, door een beetje kaarsvet op de grond te druppelen en de kaars daar vast bovenop te plaatsen. Het lukt ook nog! Ze zat net triomfantelijk te kijken, toen de Pope eindelijk Helena uit het doopvont tilde en haar overgaf aan één van de zes aanwezige peetouders, die haar onmiddellijk in doeken wikkelde, om haar weg te brengen. Daarbij deed de ongelukkige Pope een stap achteruit, waardoor de zoom van zijn gewaad in aanraking kwam met de vlam van Nadja’s kaarsje, dat omviel.1 Met grote ogen zag het meisje, hoe een vlam vrij langzaam omhoog begon te kruipen langs het zware gewaad… Klein als ze was, besefte zij dat er maar één taktiek nu aangewezen was:  weg wezen! Vliegensvlug kroop ze langs alle benen van omstanders naar de buitenkant van de kring. Ze was daar nauwelijks, of de eerste pijnkreten barsen los… Zowel de Pope als een paar genodigden liepen ernstige brandwonden op. Het klinkt u misschien vreemd in de oren, maar de kleine Nadja was echt een tante van Helena.2

Het is te begrijpen dat zo’n gebeurtenis, die aan Helena pas veel later verteld werd, een bijzonder soort band tussen de meisjes schiep. Helena schreef haar dan ook dikwijls, zoals moge blijken uit de brief in het voorgaande aangehaald over de eed die Helena in Amerika moest afleggen.

Maar ik zie dat Helena, Mary en Babji inmiddels klaar zijn met hun thé-complet en de wandeling gaan voortzetten, maar daarover later.
Noten
1 Dat vuurwerk, waarvan de kleine Nadja, (wat eigenlijk voluit Nadyezhda is, wat ‘hoop betekent) per ongeluk de oorzaak was, heeft bij tegenstanders wel ertoe geleid, dat men daar duivelse oorzaken in zag.  De feiten waren echter, dat na de geboorte van Helena, de cholera epidemie ineens ophield, althans in het gezin dat Helena was komen versterken. Over deze bijzonderheid hoort men deze tegenstanders echter nooit natuurlijk. Overigens scheen de doop Helena toch goed te hebben gedaan, want ze knapte gaandeweg op. De doop had bij haar het effect van een couveuze…. Het was wel een beetje een paardemiddel. Misschien hield ze daarom van paarden?
2 Dit komt nu praktisch niet meer voor, maar vroeger wel. In grote gezinnen kwam het voor, dat het jongste kind geboren werd iets vóór de eerste geboorte uit het huwelijk van de oudste zoon of dochter. Prinses Helena Dolgurkova was de grootmoeder van moederszijde van Helena. De moeder van ‘onze’ Helena werd geboren in 1814, terwijl Nadja, als laatste kind geboren werd in 1829.
Naschrift voor lezeressen die overal het naadje van de kous van willen weten: Het schijnt dat Nadja gekleed was in een jurkje van Jaconet, een soort katoen, dat vroeger meestal afkomstig was van Jaganatha, in India, vandaar de enigszins verbasterde naam. Tegenwoordig wordt het meestal Juggernau geschreven. Jaarlijks wordt daar een enorm hoge en zware Tempelwagen rondgereden. Het komt bijna altijd voor, dat fanatieke gelovigen zich voor de wielen gooien, om zich zo te offeren aan de God Vishnoe. Merkwaardig is, dat Juggernaut in de Geheime Leer II speciaal genoemd worddt. Ook Nadja had, zo klein als ze was, toch een soort noodlots-invloed op een aantal gelovigen. Ze overleefde ook nimmer de reputatie een ‘vuurheks’ te zijn. Door mannen werd zij daarom maar liever gemeden. Zo bleef zij ongetrouwd en eenzaam. Haar enige afleiding was het veelvuldig schriftelijk contact met Helena, ofschoon ze die af en toe ook ging opzoeken, maar toen die in 1891 was overleden, viel ook dat weg. Ze overleefde Helena met 28 jaar en stierf pas in 1919, na ook nog de Bolsjewistische revolutie te hebben moeten meemaken. Zij was toen 90 jaar.
3 Volgens Erich Neumann van de Bollingen Foundation, is het grote doopvat een symbool dat is overgebleven uit het vóór-Christelijke matriarchaat. Naar deze opvatting symboliseert de onderdompeling in het vat de terugkeer tot de geheimzinnige baarmoeder van de Grote Moeder en de onderdompeling in het vruchtwater, het ‘Water des Levens’. Zo beschouwd is het diepe doopvat een alchemistisch vat van vernieuwing en transformatie (The Great  Mother door Erich Neumann, pag 326 en 327). Van de laatste pag. is de hierbij gaande afbeelding van de dopende Engel afkomstig.


(wordt vervolgd)

---------------------------------------------------------
~~ einde editie ~~